Een spouwmuur bestaat uit twee gemetselde bladen die via spouwankers mechanisch aan elkaar zijn gekoppeld. Het binnenblad (veelal kalkzandsteen of beton) draagt de constructieve belasting; het buitenblad (gevelmetselwerk) vormt de weerbestendige buitenhuid. De tussenliggende spouw — traditioneel een open luchtspouw — voorkomt dat doorslaand regenwater het binnenblad bereikt.

Geschiedenis en toepassing

Vanaf circa 1920–1930 verving de spouwmuur in Nederland de massieve buitenmuur als standaardoplossing voor weerbestendige gevelconstructies. Vrijwel alle Nederlandse naoorlogse woningen zijn ermee gebouwd.

Isolatie en regelgeving

Oudere spouwen zijn vaak slechts 50–60 mm breed en ongeïsoleerd. In de huidige nieuwbouw eist het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) voor de uitwendige scheidingsconstructie een Rc-waarde van minimaal 4,7 m2·K/W. Dat vereist een ruim isolatiepakket — doorgaans minerale wol of PUR-platen die de spouw grotendeels of volledig vullen.

Voordelen

  • Effectieve vochtbarrière door de tweebladsopbouw
  • Goede geluidsisolatie dankzij de ontkoppeling tussen beide bladen
  • Relatief eenvoudig na te isoleren (inblaas- of injectiemethode)

Nadelen

  • Onvolledige of vochtige spouwvulling veroorzaakt koudebruggen en condensatieproblemen
  • Spouwankers kunnen bij onvoldoende corrosieweerstand roesten, waardoor de verbinding verzwakt (NEN-EN 1996-1-1 / Eurocode 6 stelt eisen aan ankermateriaal en -afstand)
  • Beperkte spouwbreedte in oudere woningen maakt aanvullende isolatie soms moeilijk uitvoerbaar